OK  
  OK        Cancel  

BOOKS

H. De Bot et al. Stationsarchitectuur in BelgiŽ. Deel I, 1835-1914. Deel II, 1914-2003. Turnhout, Brepols, 2002-2003.
€ 185.00
2 delen compleet, softcover met flappen, 240+206pp., 20x21cm., oblong, geÔllustreerd in kleur en z/w., in zeer goede staat (covers met zeer lichte gebruikssporen). Zeldzame en gezochte set.
Itemnummer 3808
DEEL1: In dit boek worden de Belgische stations uitvoering beschreven en geÔllustreerd weergegeven. Het resultaat werd samengebracht op 200 bladzijden met ca. 800 afbeeldingen. Zij geven een overzicht van de stationsarchitectuur tot de Eerste Wereldoorlog. Op 5 mei 1835 reed in BelgiŽ de eerste trein tussen Brussel en Mechelen. Het nieuwe koninkrijk BelgiŽ had de eerste spoorwegverbinding op het Europese vasteland. Acht jaar later had de Belgische Staat 660 km spoorweg aangelegd en waren de doelstellingen van de wet van 1 mei 1834 gerealiseerd. Nadien liet de Staat de aanleg en exploitatie over aan particuliere maatschappijen. Vanaf omstreeks 1870 werden et geen nieuwe concessies meer toegestaan en werden de bestaande geleidelijk teruggekocht. De Staat verleende alleen nog concessies voor de aanleg van nieuwe lijnen. Dit is in een notendop de geschiedenis van de Belgische spoorwegen voor de Eerste Wereldoorlog. Aan diverse aspecten van deze geschiedenis werden allerhande publicaties gewijd. Het materieel van de Staat en particuliere maatschappijen werd door enthousiaste spoorwegamateurs geÔnventariseerd en uitvoerig beschreven. Historici beschreven uitgebreid de turbulente periode van de particuliere maatschappijen. Locale onderzoekers vlooiden de archieven uit en leverden een levendig beeld af van het spoorweggebeuren in hun regio. Ook de seininrichting kreeg de nodige belangstelling. Voor dit werk hebben we uiteraard gretig gebruik gemaakt van al deze publicaties. Spoorwegbouwwerken zoals stations, locomotiefloodsen, goederenloodsen, spoorhallen, seinhuizen, wachterwoningen en bruggen kwamen nauwelijks aan bod. Toch vormen zij een belangrijk aspect in de toen vigerende architectuur. In deze publicatie beperkt de auteur zich tot de studie van de stationsgebouwen, of beter gezegd de ontvangstgebouwen. Hiermee wordt een eerste stap gezet in de inventarisatie van het Belgische spoorwegpatrimonium. De voornaamste bron voor deze inventarisatie vormen de prentbriefkaarten. Toeval of niet, maar de bloeiperiode van de spoorwegen viel samen met de opkomst van dit iconografisch genre. Nagenoeg iedere straat in ieder dorp werd in het begin van de eeuw op de gevoelige plaat vastgelegd. Door voortdurend vergelijken van dit beeldmateriaal stelde de auteur een typologie op van de stations van de Staatsspoorwegen en de particuliere maatschappijen. Aan de hand van dit iconografisch materiaal beschrijft hij bovendien de evolutie van de architectuur van de 19de eeuw en van de eerste jaren van de 20ste eeuw. In dit boek worden de Belgische stations uitvoerig beschreven en geÔllustreerd weergegeven. Het resultaat werd samengebracht op 200 bladzijden met 800 afbeeldingen. Zij geven een overzicht van de stationsarchitectuur tot de Eerste Wereldoorlog. DEEL 2: Na de Eerste Wereldoorlog kon BelgiŽ slechts moeizaam herstellen van de schade die aangericht werd aan het spoorwegnet. Stations, materieel en seininrichtingen hadden zwaar geleden onder het oorlogsgeweld. Na de oorlog begon een moeizame wederopbouw. Vooral in het westen van het land was de infrastructuur nagenoeg helemaal vernield. Het duurde nog tot circa 1925 voor de infrastructuur helemaal was hersteld. Het Belgische spoorwegnet werd uitgebreid met lijnen die door de oorlogsvoerende partijen om strategische redenen werden aangelegd. Met het Verdrag van Versailles kwam BelgiŽ bovendien in het bezit van de Oostkantons en werd de Pruisische Vennbahn in het spoorwegnet geÔntegreerd. In eerste instantie bouwt de Staat en vanaf 1926 de NMBS overwegend traditionalistische stations. Einde van de jaren dertig worden de eerste modernistische stations gebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog moeten weer diverse vernielde stations worden herbouwd. Na de oorlog wordt naarstig aan de Brusselse Noord/Zuid-verbinding gewerkt. In 1952 neemt Koning Boudewijn de nieuwe verbinding in gebruik. In de jaren vijftig keren de architecten zich af van de voor de oorlog ingezette modernistische architectuur. Een neoconservatieve heimat-architectuur maakt de dienst uit. Expo ?58 inspireert de architect in de jaren zestig voor enkele gedurfde ontwerpen. Niet voor lang echter, want de jaren zeventig en tachtig worden beheerst door inspiratieloze functionele architectuur. De elektrificatie van het spoorwegnet na de energiecrisis van midden de jaren zeventig slorpt alle financiŽle middelen op. De jaren negentig worden dan weer gekenmerkt door enkele exuberante postmodernistische ontwerpen. Misschien zetten de expressieve transparante stations zoals Luik Guillemins en Halle de toon voor nieuwe extravagante ontwerpen. Met dit tweede deel wordt de inventarisatie van de stations voltooid. Net als in het eerste deel springen vooral de vele afbeeldingen in het oog. Tot omstreeks 1930 wordt net als in deel 1 vooral gebruik gemaakt van prentbriefkaarten. Nadien doen we vooral beroep op de rijke verzameling foto?s uit het NMBS-archief, eventueel aangevuld met opnames van enthousiaste spoorwegamateurs. Het boek telt 208 bladzijden met circa 350 foto?s waarvan 85 in kleur.






Back to Top